• Gemeente Scherpenzeel
  • Scherpenzeel: Gemeentehuis

    Foto Rinus van Denderen

Integriteit CDA-ers onderzocht

SCHERPENZEEL De eerdere politieke commotie rond de participatie van twee CDA-raadsleden in een particulier bouwproject op de oude schoollocatie aan de Walstrolaan heeft, naar nu blijkt, nog een staartje gekregen. Mede op verzoek van de fractie van GemeenteBelangen Scherpenzeel heeft burgemeester Visser bureau Capra nader onderzoek laten doen naar mogelijke integriteitschendingen rond de betreffende grondexploitatie.  

In september kreeg de gemeenteraad een voorstel om de grondexploitatie van de locatie aan de Walstrolaan vast te stellen op basis van verkoop van de grond aan een groep particulieren, verenigd in een zogenaamde CPO (Collectief Particulier Opdrachtgeverschap) om er in eigen beheer een bouwproject met twaalf levensloopbestendige seniorenwoningen te realiseren.

Bij een CPO zijn de toekomstige bewoners, georganiseerd in een vereniging, zelf projectontwikkelaar. Met een CPO had de meerderheid van de gemeenteraad op zich weinig moeite. De vlam sloeg echter in de pan toen CDA-voorman Johan Slappendel bij aanvang van de vergadering de gemeenteraad verraste met de mededeling dat zowel hij als zijn fractiegenoot Jan van Kampen direct belanghebbende zijn in deze CPO. Vanwege deze betrokkenheid hadden Slappendel en Van Kampen besloten om zich te onthouden van de beraadslaging, maar gaven te kennen wel mee te zullen stemmen over het voorstel. Vooral de fractie van GBS reageerde verbijsterd, bij aanvang van de raadsvergadering voor het eerst te moeten horen van de betrokkenheid van de CDA-raadsleden.

In de vergadering liepen de emoties tussen de verschillende partijen hoog op. Burgemeester Visser, die eveneens verrast zei te zijn door de mate van betrokkenheid van de beide CDA-raadsleden bij de grondexploitatie, stelde voor om de besluitvorming door te schuiven naar een volgende vergadering. Op zichzelf zou een deelname van de CDA-raadsleden in deze CPO volgens de burgemeester niet een probleem hoeven zijn, maar een gedegen advies omtrent hoe in dit geval gehandeld moest worden leek hem verstandig. Voor dit uitstel kreeg Visser echter de handen niet op elkaar. Wel kon hij de CDA-ers overhalen om niet mee te stemmen over het voorstel.

Dat laatste wordt in het inmiddels afgeronde integriteitonderzoek van bureau Capra een goede zaak genoemd. ,,De grondexploitatie raakte de belangen van deze raadsleden zo direct dat zij zich van stemming dienden te houden om niet de schijn van belangenverstrengeling te wekken.'' De onderzoeker geeft daarbij overigens tevens aan geen reden te hebben om aan te nemen dat de CDA-ers aanvankelijk bewust wilden stemmen terwijl zij wisten dat zij dat eigenlijk niet moesten doen. Hij wijst hierbij op een verklaring van Slappendel dat hij zich hierbij baseerde op een uitlating van de raadsgriffier. Deze kan zich echter op haar beurt geen specifiek gesprek hierover met Slappendel herinneren. Een soortgelijk beeld van allerlei uiteenlopende herinneringen doemt in het rapport trouwens op in vrijwel alle gesprekken met betrokkenen. De burgemeester, de wethouders, de voormalig gemeentesecretaris, de ambtelijke organisatie en de direct betrokkenen: vrijwel nergens komen de lezingen van wie wat wel of niet wist en met wie wat wel of niet besproken is overeen. Volgens de onderzoeker behoeft dit niet te betekenen dat één van de partijen bewust onwaarheid spreekt. Dit soort uiteenlopende herinneringen zouden vrij gebruikelijk zijn.

In het rapport wordt overigens ook nog ingegaan op een vermeende inmenging van CDA-wethouder Margo van de Fliert rond de voortgang bij de ambtelijke behandeling van de aanvraag van het CPO en de rol van CU-commissielid Wout van de Kleut, die als (onbezoldigd) adviseur ook betrokken blijkt te zijn bij dit project.Hoewel Capra tot de conclusie komt dat er geen sprake is van integriteitschendingen, er met de deelname van de CDA-ers aan het CPO op zichzelf niets mis is, men geen extra voordeel heeft kunnen halen uit hun kennis van vertrouwelijke financiële informatie en er geen sprake kan zijn van bevoordeling vanwege een marktconforme verkoopprijs van de grond, heeft het bureau nog wel een aantal stevige opmerkingen over de hele gang van zaken. Zo had er volgens de onderzoeker in een vroeg stadium volstrekte openheid over de betrokkenheid van de raadsleden moeten worden gegeven aan de gemeenteraad of tenminste de fractievoorzitters. Ook hebben de wethouders zich niet tijd en in voldoende mate ervan vergewist dat de burgemeester, die bij twee cruciale collegevergaderingen over dit onderwerp afwezig was, voldoende op de hoogte was van de gevoeligheid van dit onderwerp. Iedereen dacht dat iedereen het wel wist zonder dit te checken. Dat was één van de redenen waardoor de indruk kon ontstaan dat er van alles heimelijk gebeurde en er sprake was van oneigenlijk handelen. Een andere reden meent de onderzoeker gevonden hebben in het onderlinge wantrouwen dat hij heeft opgemerkt tussen bepaalde politieke partijen en bestuurders. Dit wantrouwen is naar zijn mening geen grondhouding die bevorderlijk is voor (de onderlinge verhoudingen in) het openbaar bestuur. ,,Er had in de raadsvergadering ook rustig gevraagd kunnen worden wat er aan de hand was, in plaats van dat diverse spelers onmiddellijk in toorn ontstaken en hun oordeel klaar hadden. Aanneming van het voorstel van de burgemeester om de grondexploitatie Walstrolaan in een voldoende vergadering te behandelen had mijn onderzoek misschien kunnen voorkomen.''Het eindrapport van Capra is toegevoegd aan de agenda van de gemeenteraadsvergadering van dinsdag 19 december.